Proficiat Elma Blom

Prof. dr. Elma Blom is nu hoogleraar Taalontwikkeling en Meertaligheid in Gezin en Onderwijs bij de Faculteit Sociale Wetenschappen van de Universiteit van Utrecht. Een groot deel van haar onderzoek en publicaties gaat over de taalontwikkeling van meertalige kinderen. Bij de aanvang van zo’n prestigieuze aanstelling hoort een spreekbeurt, een ‘oratie’. Het was erg leuk om daar op 11 januari  bij te zijn. Elma’s wetenschappelijk inzicht staat haar toe om haar persoonlijke ervaringen met een scherpere blik te interpreteren.  In haar oratie haalde zij hier wat van aan.

Zo was het gezin een paar jaar in Canada geweest. Terug  in Nederland werd dochter van 6 jaar  op de eerste schooldag getest met de cito-toetsen om vast te stellen of ze in groep 3 of 4 geplaatst zou worden. Wat bleek? Ze zou een taalachterstand hebben!

Elma vertelde dat dit kwam omdat dochter getest werd in een taal die ze nog niet voldoende beheerste voor onderwijsdoelen. Haar rapporten van de Engelstalige school waarop ze in Canada had gezeten lieten echter geen enkel probleem zien. En die eerste schooldag hier, waarop ze zich hadden verheugd, met nieuwe klasgenoten en een nieuwe juf of meester, werd eigenlijk een verdrietige dag…

Helaas is haar ervaring de realiteit van veel kinderen die uit het buitenland naar Nederland komen en dus kennelijk ook van kinderen die in Nederland zijn geboren maar thuis of op hun school met een andere taal te maken hebben.

Het #onderwijs heeft een achterstand in de kennis over #taalachterstand

 ‘… Deze kinderen hebben geen taalachterstand.  Er bestaat wel een achterstand, maar dat is de achterstand in de kennis bij scholen en leerkrachten.’

Mijn reactie: dat klopt! Dit is natuurlijk een treurige realiteit maar wat ben ik blij dat iemand die op deze invloedrijke stoel zit, dit ook zo ziet ! Zo wordt de kans groter dat er iets verandert!

Als je meer wilt lezen: https://www.uu.nl/onderzoek/dynamics-of-youth/taalontwikkelingsexpert-elma-blom

Etiket ‘taalachterstand’ een bijdrage aan marginalisering?

Een tijdje geleden heb ik samen met mijn partners van Ways Home een interview gegeven aan het blad One World. Dat was leuk. Het interview heeft twee artikels opgeleverd (1) en (2).

Zo’n interview, de vragen die mij werden gesteld, de verbeteringen aan de concepten, etc., waren allemaal momenten om weer eens duidelijk te moeten formuleren waarop ik mijn meningen en gedachten precies baseer en hoe ik analyseer wat ik om mij heen waarneem.

Omdat mijn gebruik van het woord ‘taalachterstand’ discussie opriep, wil ik graag verduidelijken wat ik er mee bedoelde.

Dat een onvoldoende beheersing van het Nederlands, ten opzichte van wat verwacht wordt van een kind in een bepaalde groep op school, vaak een achterstand geeft in verschillende schoolvakken, is een realiteit. De blootstelling aan het Nederlands, die sommige kinderen hebben gehad op het moment dat ze naar school gaan, is nog niet voldoende om alles te begrijpen wat er wordt gezegd of om zich goed te kunnen uiten in het Nederlands. Ze kennen weinig Nederlandse woorden en hebben een nog eenvoudige zinsopbouw. Dit noemt men vaak een ‘taalachterstand’. Deze term is onnodig negatief. Hij impliceert dat de algehele taalontwikkeling achterloopt. Dat laatste is bij de meeste kinderen, die thuis dialect of een andere taal spreken, zeker niet het geval.

Als taalkundige vind ik dat deze situatie correct beschreven kan worden als een ‘voor onderwijsdoelen onvoldoende beheersing van het Nederlands’, of voor de insiders: een onvoldoende CAT [1]. Dit gebeurt omdat de meeste kinderen van anderstalige ouders thuis geen of weinig Nederlands spreken. In de meeste gevallen leren ze hun moedertaal voldoende goed om te kunnen communiceren met hun omgeving en de wereld te verkennen; ze hebben de zg. DAT[2]. Ze hebben géén taalachterstand ten opzichte van andere kinderen van dezelfde leeftijd die in dezelfde omstandigheden opgroeien.

Een #meertalig kind kent vaak meer woorden dan een eentalig kind!

Het is significant dat, als je de woordenschat van een meertalig kind in zijn verschillende talen optelt, hij vaak meer woorden kent dan een eentalig kind.

Het resultaat van zo’n verkeerd ‘etiket’ kan een verkeerd vervolgtraject zijn en een uiteindelijke onderbenutting van het talent van de betrokkene. Dat geldt voor dialectsprekers evengoed als voor mensen met een migratieachtergrond. De wat oudere Limburger, of Tukker, of welke streektaalspreker ook, kent daarvan wel voorbeelden. Dat geldt ook voor doven en slechthorenden. Het verkeerde etiket kan bijdragen bij aan marginalisering van een groep mensen die zich toch al regelmatig onheus bejegend voelt in onze samenleving. Dat kom ik helaas regelmatig tegen op mijn spreekuur.

[1] Cognitieve Abstracte/Academische Taalvaardigheden
[2] Dagelijkse Algemene Taalvaardigheden