Uit de pers

* NRC, 9 maart 2017

Taalverwerving begint met lege werkwoorden. Het is een grammaticale opstap naar de juiste vervoeging van werkwoorden. – Berthold van Maris

Peuters van twee, drie jaar oud produceren vaak zinnetjes als „beer is huilen”, „beer gaat huilen” en soms zelfs „beer is gaat huilen”. Ze gebruiken daarin de ‘lege’ hulpwerkwoorden ‘is’ en ‘gaat’. Dat is een natuurlijke tussenstap naar het uiteindelijk leren van de constructie „beer huilt”, zo blijkt uit onderzoek van klinisch linguïst* en logopediste Manuela Julien, die er op 24 februari op promoveerde aan de Radboud Universiteit in Nijmegen.

Zij vergeleek het prille Nederlands van de jonge peuters met het prille Nederlands van volwassenen die het Nederlands als tweede taal leren. Die volwassenen blijken precies hetzelfde te doen.

Een man van Turkse komaf, bijvoorbeeld, beschreef een illustratie waarop het populaire pinguïn-animatiediertje Pingu tegen een bal trapt met deze woorden: „Pingu is gaat schoppen.” ‘Is’ en ‘gaat’ zijn hierin ‘lege’ hulpwerkwoorden omdat ze alleen maar een grammaticale functie hebben: ze betekenen exact hetzelfde als de uitgang ‘-t’ in „Pingu schopt”.

Als een peuter „beer gaat huilen” zegt, bedoelt hij daar ook niet meer mee dan: „beer huilt.” Zegt een volwassen Nederlandstalige „beer gaat huilen” dan betekent dat iets heel anders, namelijk: „beer begint zo dadelijk te huilen”. In correct, volwassen Nederlands is ‘gaan’ immers geen leeg, maar juist een uiterst betekenisvol hulpwerkwoord: het voegt betekenis toe aan de zin, het geeft aan dat iets in de toekomst gaat gebeuren .

Toekomstige tijd
Julien toonde in haar onderzoek aan dat ‘gaan’ zowel bij kinderen als bij volwassenen die net hun eerste Nederlands leren, nog niet die bijzondere betekenis (toekomstige tijd, beginnen met) heeft. Ze liet haar proefpersonen (zowel de heel jonge als de al wat oudere) illustraties beschrijven waarop het animatie-diertje Pingu vlak voor, tijdens en vlak na een handeling te zien was. Een man die van huis uit Arabisch sprak zei bij het eerste plaatje: „Pinguïn gaat hier begint met iets maken.” Bij het tweede: „… gaat Pingu iets maken.” Bij het derde: „Pinguïn gaat klaar met iets maken.”

Kind en volwassene leren het vervoegen in drie stappen: eerst zeggen ze „Pingu vis eten”, later „Pingu is vis eten” of „Pingu gaat vis eten”, en uiteindelijk wordt het „Pingu eet vis”.

Die laatste zin is het moeilijkst. Niet alleen omdat daarin het hoofdwerkwoord vervoegd moet worden (‘eten’ wordt ‘eet’), maar ook omdat het hoofdwerkwoord daarin niet langer helemaal achteraan de zin mag staan, maar als het ware verhuisd moet worden naar de tweede plaats in de zin.

*de tekst “klinisch linguist’ stond niet in het originele artikel.

* VHZ Van Horen Zeggen. April 2017

2017 April Van Horen Zeggen