TOS kan ook voorkomen bij meertalige kinderen, maar niet vaker dan bij eentalige kinderen!

Iets wat meertalige kinderen vanaf huis meenemen als ze naar de peuterspeelzaal of school gaan, is hun moedertaal of -talen. De taal waarin hun emotionele en sociale ontwikkeling is gestart en waarmee ze begonnen zijn de wereld te ontdekken.

Deze maand oktober besteden betrokken organisaties in Nederland extra aandacht aan TOS, taalontwikkelingsstoornis. Mijn part-time werkgever, Pento, heeft mij gevraagd om een bijdrage te schrijven over TOS bij meertalige kinderen en over het werk van het Audiologisch Centrum. Graag deel ik mijn tekst hier met jullie.

Meertalige leerlingen verschillen in hun moedertaal, in het moment waarop ze Nederlands gaan leren en ook in de hoeveelheid en kwaliteit Nederlands taalaanbod. Het is dan ook een grote opgave voor een leerkracht om les te geven aan een klas leerlingen met deze verschillende achtergronden.

Er zijn kinderen die de schooltaal (CAT) minder snel oppikken en over wie leerkrachten zich zorgen maken. Scholen vragen zich vaak af: ‘Heeft dit kind een blootstellingsachterstand aan het Nederlands of een taalontwikkelingsstoornis (TOS)?’. Een blootstellingsachterstand betekent dat het kind het Nederlands nog niet voldoende beheerst. Hij heeft nog niet voldoende ervaring met deze taal. Een taalontwikkelingsstoornis betekent dat het kind veel moeite heeft om taal te leren, ook zijn moedertaal en alle andere talen die hij daarnaast leert. Het is dan ook met die vraag van scholen dat steeds meer meertalige kinderen worden aangemeld bij Audiologische Centra (AC’s).

Om deze vraag te beantwoorden hebben we  kennis nodig van de normale taalontwikkeling van meertalige kinderen. Deze voegen we toe aan de kennis die we al hebben over TOS. Bij een meertalig kind met TOS doen zich, zoals gezegd, taalproblemen voor in alle talen van het kind, de moedertaal en nieuwe talen die hij leert. Dat is niet het geval bij meertalige kinderen die geen TOS hebben. Bij die kinderen is er soms onvoldoende blootstelling geweest aan het Nederlands, maar er zijn in principe geen problemen in de ontwikkeling van de moedertaal. Ons werk bestaat, als het ware, uit het leggen van een puzzel met stukjes uit verwante disciplines: NT2, Klinische Linguïstiek en Logopedie.
We moeten o.a. de volgende puzzelstukken leren (her)kennen:

  1. Rol van de omgeving: Kwaliteit en kwantiteit taalaanbod in beide talen is heel belangrijk: Hoeveel praten de ouders met het kind? Lezen ze voor? Dit bepaalt hoe goed de moedertaal is ontwikkeld. Heeft de leerkracht kennis van NT2 onderwijs? Zijn de omstandigheden en de sfeer op school positief voor de (taal)ontwikkeling van meertalige kinderen? Zijn ouders in staat om het kind te helpen? Dit heeft invloed op hoe goed en hoe snel het kind het Nederlands leert.
  2. Patronen in de normale meertalige taalontwikkeling: Wisselt het kind tijdens een gesprek van taal (codewisseling)? Wanneer en met wie doet het kind dat? Hoe vaak? Wat doet het kind als hij moeite heeft om op een woord te komen? Maakt het kind fouten in de zinsbouw? Wat voor fouten zijn dat? Zijn er fouten in het Nederlands die veroorzaakt worden door invloed van de andere taal of talen die het kind spreekt? Zijn dat fouten die ook in de normale taalontwikkeling van eentalige kinderen voorkomen? Zijn de zinnen, ondanks fouten, samengesteld en lang?
  3. Aanwijzingen (rode vlaggen) voor TOS: was de ontwikkeling in de moedertaal traag? Zijn er mensen in de familie die ook traag zijn of waren in hun taalontwikkeling? Is de communicatieve redzaamheid in de moedertaal beperkt? Is het kind onverstaanbaar? Zijn er veel fouten in de grammatica en zijn de zinnen te eenvoudig en kort? Heeft het kind moeite om mondelinge informatie te begrijpen?

Voor AC’s  betekent de toename van meertalige kinderen onder hun cliënten dat er in de afgelopen jaren kleine en grote veranderingen in de denk- en werkwijze zijn gekomen. Hierdoor wordt de diagnostiek steeds beter en het risico van over- of onderdiagnose steeds kleiner. Overdiagnose betekent dat een kind onterecht de diagnose TOS krijgt en onderdiagnose betekent dat de TOS niet wordt herkend bij een kind dat dat wel heeft.

Enkele voorbeelden van hoe onze AC’s nu werken:     

  • We voeren een uitgebreid gesprek met de ouders of verzorgers waarin wij o.a. vragen naar de kwaliteit en kwantiteit van het gebruik van verschillende talen, in verschillende dagelijkse situaties. Dit is belangrijke informatie bij het beoordelen van de beheersing van de talen.
  • We kijken niet alleen naar het Nederlands.
    We meten de taalvaardigheid van het kind in de verschillende talen en observeren ook hoe het kind reageert en leert van een voorbeeld tijdens de testafname. Dit nemen we mee in onze finale beoordeling van de taalontwikkeling van dat kind.
  • We gebruiken tolken.
    Als de onderzoeker de taal van het kind niet beheerst, werken we met tolken die opgeleid zijn om ons te assisteren.
  • NT2-blootstellingsachterstand is geen TOS.
    We realiseren ons dat er in de eerste fase van de NT2 ontwikkeling een groot verschil is tussen wat het kind weet (de conceptuele kennis) en wat hij kan zeggen (de taalvaardigheid) in de tweede taal. Het is dus belangrijk om het kind tijd te gunnen om het Nederlands beter te leren voordat we zijn taalvaardigheid in het Nederlands uitgebreid gaan onderzoeken. Uit wetenschappelijk onderzoek weten we bijvoorbeeld dat de passieve woordenschat zich veel sneller ontwikkelt dan de actieve woordenschat. Na twee tot drie jaar basisonderwijs is de passieve woordenschat van een groot deel van de meertalige kinderen die het Nederlands als tweede of derde taal leert, op peil. Dat is dan nog niet het geval met de actieve woordenschat.
  • We maken onderscheid tussen DAT en CAT.
    We zijn ons ervan bewust dat een meertalig kind tegelijkertijd een grote vaardigheid kan laten zien in DAT én een beperkte vaardigheid in CAT. Dit verklaart waarom ouders vaak tevreden zijn met de taalontwikkeling van hun kind en menen dat hij/zij niets mankeert, terwijl logopedisten en school een beperkte taalvaardigheid zien en meten.
  • Ook een kind zonder TOS kan vaak hulp gebruiken.
    Bij de kinderen die geen TOS blijken te hebben, maar een trage taalontwikkeling laten zien, denken we mee en geven ouders en school advies over de stimulering van beide talen. We delen graag onze kennis en expertise over meertalig opgroeien. Een belangrijk advies aan scholen is: geef kinderen, vooral in de eerste fase van het Nederlands leren, de mogelijkheid om te ‘leunen’ op hun eerste taal. Laat ze die taal op school gebruiken als springplank om het Nederlands te leren. Zo geef je ze meer kans om te participeren, ondanks hun nog beperkte beheersing van het Nederlands. Om dit pleidooi beter te begrijpen, verwijzen we scholen  onder andere naar het document ‘Ruimte voor talenten’, te downloaden van de site van de Primaire Onderwijsraad: https://www.poraad.nl/ledenondersteuning/publicaties/school-kind-omgeving/ruimte-voor-nieuwe-talenten.

Er blijft (veel) ruimte voor verdere verbeteringen in de aanpak. De testen die AC’s beschikbaar hebben om de taalontwikkeling van meertalige kinderen te beoordelen, zijn testen die genormeerd zijn voor eentalige kinderen. Testen met normen voor meertalige kinderen bestaan nog nauwelijks. Ook doen de bestaande taaltesten een te groot beroep op CAT. Voor een betere diagnostiek van TOS bij meertaligen hebben we dringend beter testmateriaal  nodig. We zouden ons meer kunnen richten op hoe makkelijk en snel een kind DAT verwerft. Ook zou in de eerste jaren van blootstelling aan het Nederlands meer nadruk gelegd moeten worden op de passieve kennis, vooral op de ontwikkeling van de lexico-semantiek.
Wij stellen ons tot doel om de zorg voor onze jonge meertalige cliënten te verbeteren. Zoals hierboven wordt geïllustreerd,  zijn we op de goede weg!

De bovenstaande tekst is eerder gepubliceerd op de website van Pento, oktober 2020.

 

Taalstoornissen bij meertalige kinderen, herziene geactualiseerde druk

Hij is er!! De geactualiseerde druk van ‘Taalstoornissen bij meertalige kinderen’!!

Deze derde editie reflecteert op meerdere manieren de vooruitgang die de afgelopen tien jaar is geboekt in de wetenschap en in de praktijk van meertaligheid en taalstoornissen. Voor velen is dit boek daarvoor een stimulans geweest. Die vooruitgang betreft onder meer de volgende ontwikkelingen en tendensen:

Groen, hè?
  • In veel Europese landen is er sprake van een significante groei van het wetenschappelijke onderzoek naar het fenomeen meertaligheid.
  • Er is dan ook meer (maar nog steeds te weinig!) diagnostisch materiaal beschikbaar voor meertalige kinderen met een taalstoornis.
  • Er wordt weer constructief gedacht over meertaligheid binnen het onderwijs en de logopediepraktijk.

Dank aan iedereen die heeft meegelezen, bijgedragen en mij heeft geïnspireerd! Niet in laatste plaats de kinderen zelf!!

Als jij het boek gaat gebruiken, houd ik me altijd aanbevolen voor correcties en opmerkingen!

Welke taal spreekt u?

Gelukkig is de tijd voorbij dat we in onze verslagen opschreven dat onze cliënt of leerling ‘Marokkaans’ spreekt. (uhh, is die tijd echt voorbij?…). Tijd dus om een volgende verbetering en precisering aan te brengen die relevant is voor het correct documenteren en begrijpen van de taalachtergrond van de persoon voor ons.

#logopedie. Ik spreek Marokkaans!

Spreekt onze Marokkaanse cliënt of leerling Arabisch? Oké, in veel gevallen zal dat het antwoord zijn. Maar toch stel ik voor om daar een toevoeging bij te zetten: Marokkaans-Arabisch, ook wel Darija genaamd. De verschillen tussen de varianten van Arabisch zijn namelijk groot en niet alleen in uitspraak. Het Arabisch van de Maghreb (grofweg Noord-west Afrika) kent sterke invloeden van de Berber-talen en van het Frans. Dat kan zo bepalend zijn dat iemand uit, zeg Jordanië, soms liever naar het Engels schakelt met zijn Tunesische vriend dan dat zij proberen elkaars Arabisch te begrijpen.
Of, is Berber een taal van onze cliënt? In ook veel gevallen zal onze cliënt zelf dit antwoord geven. Wie ben jij om verder te vragen…. Maar toch ….., vraag verder! Je bent een taalprofessional! Ik ken een gemengd Marokkaans stel, een Marokkaans-Nederlandse dame getrouwd met een Marokkaans-Franse heer. Zij spreekt Tarifit; hij spreekt Tamazight (wat trouwens ook de verzamelnaam is van alle Berber-talen). En, de echtelieden kunnen daarin niet met elkaar praten!! De verschillen zijn heel erg groot en zij, beiden hoogopgeleid, wijken uit naar Arabisch en/of Frans, en/of Engels en/of Nederlands. Dat gaat verder prima. Een zeer meertalig gezin! En deze week hoorde ik Mohammed Benzakour (Tarifit-spreker) zeggen, dat hij Vladimir Poetin eerder zou verstaan dan Tamazight-sprekers!

Conclusie: ‘Berber’ is niet goed genoeg. Voortaan in onze verslagen bijvoorbeeld: Tarifit-Berber. Of alleen: Tarifit! Of een van de andere Berber-talen natuurlijk. Tip: vraag waar in Marokko de familie vandaan komt. noord-Marokko (Rif): waarschijnlijk Tarifit; midden-Marokko (Atlas): waarschijnlijk Tamazight.

Het laatste argument: niet elke Berber houdt van Berber! Het is de naam die anderen aan dit volk en de talengroep hebben gegeven; niet de door henzelf gekozen en gebruikte naam!

Voor een logopedist of andere professional is het belangrijk om te weten waar de fouten in het Nederlands vandaag kunnen komen. En als jouw Turkse cliënt dan Koerdisch blijkt te spreken als moedertaal, kun je er flink naast zitten! Kijk ook eens naar deze informatie van de Vrije Universiteit van Amsterdam.

Is ‘Chinees’ een taal? #logopedie

Nog eentje: wat doe je als iemand zegt dat zijn/haar taal Chinees is? Ken je zelf meer relevante voorbeelden, wellicht uit de eigen praktijk?

Bron van afbeelding: https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/4/45/Map_of_African_languages.svg

Masterclass Schlichting-test een groot succes

Op vrijdag 28/9/18 vond de Masterclass ‘Heeft Tarik een TOS?’ plaats met als doel nieuwe inzichten te bespreken in de taaldiagnostiek bij meertalige kinderen. Ik maakte deel uit van de organiserende werkgroep, bijeen gebracht door dr. Liesbeth Schlichting.

Met een nieuwe wijze van scoren en interpreteren van de testresultaten kan men bij Turks-Nederlandse en de Marokkaans-Nederlandse (met als moedertaal een Berber-taal of Arabisch) kinderen makkelijker besluiten over het volgende:

  1. welke kinderen hebben taalhulp nodig;
  2. voor welke kinderen taalhulp op school voldoende is;
  3. welke kinderen logopedische behandeling hebben nodig ;
  4. welke kinderen hebben extra hulp nodig, bijvoorbeeld vanuit het onderwijs voor kinderen met een spraak- en taalstoornis.

Bij de circa 75 deelnemers riep deze materie veel vragen en discussie op. Mooi! Men was blij dat er eindelijk testgemiddelden bekend zijn voor tenminste deze twee grote groepen meertalige kinderen in Nederland.
Er was ook terechte bezorgdheid dat deze nieuwe informatie niet altijd correct zal worden gebruikt en geïnterpreteerd.
In januari 2019 doen we de masterclass nog een keer!

Onderzoek Dr. Schlichting: groot verschil in taalvaardigheid in het Nederlands tussen kinderen van Turkse en Marokkaanse afkomst

We testen kinderen om o.a. hun taalontwikkeling te beoordelen. Dat doen we door kinderen van dezelfde leeftijd, of die in dezelfde groep zitten, met elkaar te vergelijken. Daarvoor gebruiken we vooral tests die ontwikkeld en genormeerd zijn voor eentalige Nederlandstalige kinderen.
Toch is het bij meertalige kinderen absoluut niet wenselijk om die normen te gebruiken om hun taalontwikkeling in het Nederlands, die vaak hun tweede taal is, te beoordelen.
En als het gaat om het vaststellen of een meertalig kind een taalstoornis heeft of niet is het gebruik van normen voor eentalige kinderen zeker af te raden!
Om deze reden ben ik, samen met veel andere collega’s, bijzonder blij met de nieuwe inzichten die uit Schlichting’s onderzoek kwamen. Dit onderzoek levert gemiddelden op voor de Schlichting tests voor tenminste twee grote groepen meertalige kinderen in Nederland: de Turks-Nederlandse en Marokkaans-Nederlandse (met moedertaal Berbers of Arabisch).
We moeten wel alert zijn op het feit dat dit onderzoek en gemiddelden slechts Turkse en Marokkaanse kinderen betreffen en dat zelfs binnen deze groepen een grote variatie bestaat in taalaanbod in het Nederlands. De anamnese wordt dus extra belangrijk om te weten hoe de taalontwikkeling is geweest en wat het patroon van taalaanbod is.
En ook belangrijk: het is niet wenselijk om deze gemiddelden toe te passen op andere etnische en taalgroepen.
Dit onderzoek bracht ook iets heel belangrijks aan het licht: dat twee groepen die een vergelijkbare achtergrond en geschiedenis hebben in Nederland toch een groot verschil in taalvaardigheid in het Nederlands laten zien! Deze wetenschap maakt ons weer eens bewust van de complexiteit van dit onderwerp en van de diversiteit van factoren die de taalontwikkeling van meertalige kinderen beïnvloedt.