Achtergrond en inleiding

Tijdens de verdediging van mijn proefschrifHet promotieproject ‘Vergankelijke structuren: de functie van lege hulpwerkwoorden in taalverwerving’ (Transitory structures: the function of dummy auxiliaries in language acquisition) is tussen 2010 en 2017 uitgevoerd door Drs. Manuela Julien aan de Radboud Universiteit, Nijmegen onder begeleiding van Prof. Dr. Roeland van Hout en Dr. Ineke van de Craats. Het project werd afgesloten met een proefschrift dat op 24 februari 2017 door de promovendus met succes in het openbaar is verdedigd.

Beschrijving van en aanleiding voor het onderzoek
Dit onderzoek richtte zich op een fase in de ontwikkeling van de vervoeging van het werkwoord in het Nederlands waarin een leerder soms zegt ‘Jan is rennen’ in plaats van ‘Jan rent’. Het gebruik van het hulpwerkwoord ‘zijn’ is in deze constructie niet correct in standaard Nederlands. Dezelfde constructie maar met het hulpwerkwoord ‘gaan’ is wel correct. Het hulpwerkwoord ‘gaan’ wordt hier echter niet gebruikt met een toekomende betekenis, maar om iets aan te duiden wat al gaande is; de persoon zegt ‘Jan gaat rennen’ i.p.v. ‘Jan rent’. De hulpwerkwoorden worden als het ware met een ‘lege’ betekenis’ gebruikt en worden daarom aangeduid als lege hulpwerkwoorden.
De fase waarin lege hulpwerkwoorden worden gebruikt bestaat in allerlei typen van taalverwerving. Zowel kinderen die bezig zijn hun moedertaal te verwerven (Van Kampen 1997; Blom 2003; Julien et al 2013), als kinderen en volwassenen die een tweede taal leren (Blom & de Korte 2011; Van de Craats 2009; Craats, I. van & R. van Hout 2010;Van de Craats & Julien 2012; Verhagen 2009), laten dit verschijnsel zien. Daarnaast komt deze fase voor bij kinderen met taalontwikkelingsmoelijkheden (ook wel TOS-kinderen genoemd). Dit zijn zowel kinderen die het Nederlands als moedertaal hebben, als kinderen die het Nederlands als tweede taal verwerven (de Jong 1999; de Jong, Orgassa & Cavus 2007; Orgassa 2009, Zwitserlood 2014). Al deze groepen waren in dit onderzoek betrokken. De proefpersonen die het Nederlands als tweede taal spreken zijn sprekers van Marokkaans-Arabish, Tarifiyt, en Turks.

Het doel van het onderzoek wasom de werkwoordconstructies, die in deze fase van de ontwikkeling gebruikt worden, met name de constructies met lege hulpwerkwoorden, op een gestructureerde manier te verzamelen en te analyseren om de betekenis en functie ervan te achterhalen. De voornaamste vragen waren:

  • Waarom worden deze constructies gebruikt? Ofwel: Wat is de functie van deze constructies in de taalontwikkeling?
  • Is er een verschil in hun gebruik door de verschillende groepen leerders?’
  • Zijn de verschillen, op dit gebied, tussen zich normaal ontwikkelende kinderen en TOS-kinderen dusdanig groot, dat het gebruik van lege hulpwerkwoorden relevante informatie levert voor de diagnostiek van taalstoornissen?

Het verzamelen van de gegevens voor het onderzoek begon in 2011 en werd voornamelijk uitgevoerd op reguliere scholen en scholen voor kinderen met taalontwikkelingsstoornissen, door Manuela Julien en meerdere Masterstudenten van de opleidingen Nederlandse Taalkunde en Taal- en Spraakpathologie van de Radboud Universiteit. Verschillende van deze studenten hebben hun afstudeerscriptie gebaseerd op (delen van) deze data. Het vinden van proefpersonen was een moeizaam proces dat veel langer duurde dan verwacht ondanks de hulp van vele betrokken scholen, ouders, docenten, e.d.. Daarom hebben de studenten hun scripties moeten maken op basis van een beperkt aantal proefpersonen. Dit betekent dat de uitkomsten en conclusies met enige terughoudendheid geïnterpreteerd moeten worden. Desondanks vinden wij het belangrijk om te laten zien wat er binnen het onderzoek is gedaan.
Het verzamelen van gegevens was in juni 2014 afgerond. Alle werk en uitkomsten zullen hier worden gepresenteerd.

Resultaten tot zover
Nogmaals: we baseren de conclusies op een kleiner aantal proefpersonen dan we hadden gewild en iedere scriptie rapporteert telkens over twee of drie van het totaal aantal experimenten (het onderzoek bestaat uit vijf experimenten). De resultaten moeten dan ook in die context worden gezien.

Uit de zes scripties komt in grote lijnen het volgende naar voren wat betreft het gebruik van lege hulpwerkwoorden:

  • Zich normaal ontwikkelende tweetalige kinderen (6-8 jaar) laten dezelfde syntactische patronen zien in het Nederlands als eentalige kinderen (3-5 jaar). Beide groepen gebruiken vaak het lege hulpwerkwoord ‘gaan’ terwijl andere lege hulpwerkwoorden nauwelijks worden gebruikt. (-> lees meer over de scriptie van Annemarie Travaille);
  • Ook eentalige (7-8 jaar) kinderen met een taalontwikkelingsstoornis, gebruiken het lege hulpwerkwoord gaan veelvuldig, in plaats van het vervoegd lexicale werkwoord. Andere lege hulpwerkwoorden worden sporadisch gebruikt. (–> lees meer over de scriptie van Yvonne van Zoggel);
  • Waar de groepen wel van elkaar verschillen is in het maken van zinnen met inversie. Tweetalige Kinderen met een taalontwikkelingsstoornis produceren minder correcte zinnen met inversie dan tweetalige kinderen zonder een taalontwikkelingstoornis. Ook gebruiken ze meer lege hulpwerkwoorden in zinnen met inversie dan in zinnen waar inversie niet nodig is, wat suggereert dat inversie moeilijk voor ze is. (–> lees meer over de scriptie van Vera van Heugten);
  • De structuur van de eerste taal van de kinderen (Turks, Tarifiyt of Marokkaans Arabisch) schijnt geen significante invloed te hebben in het gebruik van lege hulpwerkwoorden in het Nederlands;
  • De analyse van de data van de volwassenen laat ook bij hen geen significant verschil tussen de taalgroepen zien. Wat wel een significante invloed blijkt te hebben op het gebruik van lege hulpwerkwoorden zijn de taalvaardigheid in het Nederlands en de soort taak die uitgevoerd werd; Volwassenen op niveau A2 presteren beter dan die op niveau A1. In zinnen in de tegenwoordige tijd werden er veel lege hulpwerkwoorden gebruikt, maar in zinnen in de verleden tijd werden die nauwelijks gebruikt. (–> lees meer over de scriptie van Yvonne van Beek)
  • Het is opvallend dat alle groepen de constructie met het lege hulpwerkwoord ‘zijn’ als tegenwoordige tijd interpreteren. De constructie met het hulpwerkwoord ‘gaan’ wordt door een groot deel van de kinderen, ook de oudere kinderen (7- 8 jarigen), vaker geïnterpreteerd als tegenwoordige tijd dan als toekomende tijd, wat suggereert dat de betekenis van dat constructie moeilijk te leren is.
  • Zich normaal ontwikkelende monolinguale en bilinguale kinderen gebruiken dezelfde constructies om de verleden en voltooide tijd uit te drukken. Het lege hulpwerkwoord ‘gaan’, in de verleden tijd, wordt bij beide groepen veelvuldig gebruikt, vooral door de jongere kinderen. (–> lees meer over de scriptie van Maxine du Cloux).

Ik verwacht hier in de loop van de tijd nog twee scripties bij te plaatsen.

Literatuur
Blom, E. (2003). From Root Infinitive to Finite Sentence: The acquisition of Verbal Inflections and Auxiliaries. Utrecht: LOT.

Blom, E. & S. de Korte (2011). Dummy auxiliaries in child and adult second language acquisition of Dutch. Lingua 121: 906-919.

Craats, I. van de (2009). The role of IS in the acquisition of finiteness by adult Turkish learners of Dutch. Studies in Second Language Acquisition 31, 59-92.

Craats, I. van & R. van Hout (2010). Dummy auxiliaries in the L2 acquisition of Moroccan learners of Dutch: Form and function. Second Language Research 26, 473-500.

Craats, I. van de, en Julien, M.M.R. (2012). Het werkwoord: hoe begrepen en hoe bedoeld. In Bossers, B. (ed.), Vakwerk 8. Achtergronden van de NT2-lespraktijk, pp. 83-97 Amsterdam : BVNT2.

Jong, J. de (1999).Specific language impairment in Dutch: Inflectional morphology and argument structure. RU Groningen, proefschrift.

Jong, J. de, Orgassa, A. en Cavus, N. (2007). Werkwoordscongruentie bij bilinguale kinderen met een taalstoornis. Stem-, Spraak- en Taalpathologie, 15, 2: 143-158.

Kampen, J. van (1997). First steps in Wh-movement. Delft: Eburon.

Julien, M., Van de Craats, I. en Van Hout, R. (2013). There is a dummy ‘is’ in early first language acquisition. In: Dummy Auxiliaries in First and Second Language Acquisition (eds Blom E., Van de Craats, I en Verhagen, J.). De Gruyter Mouton, Berlin.

Orgassa, A. (2009). Specific language impairment in a bilingual context. Utrecht: LOT.

Verhagen, J. (2009). Finiteness in Dutch as a Second Language. Utrecht: LOT.

Zwitserlood, R. (2014). Language growth in Dutch school-age children with specific language impairment. Utrecht: LOT.