Doctoraalscripties

Op deze bladzijde staan de samenvattingen van de scripties van de Master-studenten die aan het onderzoek hebben bijgedragen en die ik daarin heb begeleid. Onder elke samenvatting staat een verwijzing naar de volledige tekst van hun scriptie.

Bieden hulpwerkwoorden hulp bij het diagnostische proces van eentalige en tweetalige kinderen met een specifieke taalontwikkelingsstoornis?
Door Yvonne van Zoggel
In de Nederlandse taal dient het lexicale werkwoord zich aan te passen aan de persoonskenmerken van het onderwerp van de zin. Dergelijke realisatie van werkwoorden die persoonskenmerken dragen, ook wel de vervoeging van werkwoorden genoemd, leren kinderen niet van de ene op de andere dag. Uit de literatuur blijkt dat kinderen enige tijd een extra werkwoord, het (lege) hulpwerkwoord ‘doen’, ‘gaan’ of ‘zijn’, plaatsen in zinsstructuren waar een vervoegd lexicale werkwoord verwacht wordt. Vanaf het moment dat de kinderen de werkwoordvervoeging beheersen verdwijnt het gebruik van dergelijke hulpwerkwoorden. Bij eentalige, zich normaal ontwikkelende kinderen is dit rond de leeftijd van 4;9 jaar. Voorbeelden zijn (1), zonder hulpwerkwoord, en (2) met hulpwerkwoord.

(1) volwassenen:  hij leest mama loopt zij maakt
(2) kind:  hij doet lezen mama gaat lopen zij is maken

Door een extra werkwoord te gebruiken maken de kinderen langere zinnen. Toch zijn de voorbeeldzinnen van de volwassenen in (1) waarschijnlijk moeilijker te realiseren dan de langere zinnen van het kind in (2), omdat het extra hulpwerkwoord ervoor zorgt dat het lexicale werkwoord (lezen, lopen en maken) niet aangepast hoeft te worden aan de persoon- en getalkenmerken van het onderwerp van de zin en aan het eind van de zin kan blijven staan.
Omdat kinderen met een specifieke taalontwikkelingsstoornis veel moeite hebben met de realisatie van werkwoorden die persoon- en getalkenmerken dragen, is te verwachten dat die kinderen in hun taalontwikkeling langer en vaker gebruik maken van overbodige hulpwerkwoorden dan kinderen zonder taalstoornis.
De resultaten van dit onderzoek tonen aan dat eentalige Nederlandstalige kinderen met een specifieke taalontwikkelingsstoornis (n = 11, leeftijdsrange 7;0-8;8) na de leeftijd van 4;9 jaar inderdaad nog steeds gebruik maken van overbodige hulpwerkwoorden. Het hulpwerkwoord ‘gaan’ (15,6%) wordt daarbij vaker gebruikt dan de hulpwerkwoorden ‘doen’ en ‘zijn’. Opmerkelijk is dat de kinderen de vervoeging van het lexicale werkwoord in de tegenwoordige tijd vaker vervingen door een constructie met het hulpwerkwoord ‘gaan’ dan door de stam van het werkwoord (7,9%), terwijl het langdurig en veelvuldig weglaten van de suffix –t bij de derde persoon enkelvoud gezien wordt als klinische markeerder van een specifieke taalontwikkelingsstoornis. Wellicht bieden hulpwerkwoorden dus meer hulp bij het diagnostische proces van kinderen met een specifieke taalontwikkelingsstoornis dan werd gedacht.
Wat betreft het begrip van zulke constructies, valt het op dat het overgrote deel van de onderzochte kinderen met een specifieke taalontwikkelingsstoornis zinnen als ‘hij gaat lezen’ of ‘hij gaat lopen’ vaker relateerde aan de tegenwoordige tijd dan aan de toekomende tijd.
Download de scriptie (5,1 MB)

Het gebruik van dummies bij tweetalige kinderen met en zonder SLI: een onderzoek naar het gebruik en de interpretatie van hulpwerkwoorden in het Nederlands, waarin successief tweetalige kinderen met een specifieke taalstoornis en zonder taalstoornis met elkaar worden vergeleken.
Door Lizet van Woudenberg

Young children acquiring finiteness in Dutch often produce sentences that do not occur in adults’ Dutch language. They tend to use constructions with auxiliaries that seem to lack lexical meaning, like ‘gaan’ (to go) and ‘zijn’ (to be), called dummy auxiliaries. This thesis presents the results of a study on the perception and production of dummy constructions in typically developing bilingual children (TD) and bilingual children with a specific language impairment (SLI) in the age range of 4;0-6;11 years. Two experiments were carried out. The perception experiment showed that both ‘gaan’ and ‘zijn’ did not carry semantic meaning for most of the children. The production experiment showed that the dummy ‘gaan’ was very common in the utterances of children in both groups, in contrast to ‘zijn’, which was infrequent. It was also observed that children with SLI did not show other patterns than TD-children. The results of the production experiment alongside those of the perception experiment provide evidence that dummy auxiliaries indeed appear to have no modal or aspectual meaning at all in the initial stages of acquisition. This is in accordance with a theory that claims that the use of dummies is a temporary strategy to avoid movement of lexical verbs.
Download de scriptie (2,4 MB)

De perceptie en de productie van dummy-constructies bij de verwerving van finietheid.
Door Annemarie Travaille

Wanneer jonge kinderen een taal leren, spreken zij deze taal niet direct perfect. Het verwerven van een taal gaat geleidelijk en in fasen. Bij het verwerven van de werkwoordsvervoegingen in het Nederlands lijkt er een tussenstap te zijn voordat jonge kinderen de finiete vorm ervan correct gebruiken. Kinderen gebruiken lege hulpwerkwoorden zoals in de voorbeelden hieronder: (1) Hij gaat spelen (terwijl de actie op dat moment al bezig is, dus in plaats van hij speelt) (2) Hij doet lopen (in plaats van hij loopt) (3) Hij is eten (in plaats van hij eet). Ook jonge kinderen die het Nederlands als tweede taal verwerven doorlopen deze fase. De gebruikte hulpwerkwoorden in de drie voorbeelden hierboven zijn interessant, omdat de lexicale werkwoorden spelen, lopen, en eten op deze manier in de basis- of eindpositie kunnen blijven staan. De gebruikte hulpwerkwoorden zijn “leeg”; ze hebben geen semantische betekenis. Daarom worden ze lege hulpwerkwoorden genoemd, in de Engelse literatuur ‘dummy auxiliaries’. Het gebruik van een hulpwerkwoord is syntactisch gezien makkelijker dan het vervoegen van het lexicale werkwoord, waarbij dit werkwoord moet worden verplaatst van de eindpositie naar de tweede positie in de zin (de V2-regel). Uit eerder onderzoek kwam naar voren dat wanneer werkwoordsverplaatsing voorkomt in een zin, lege hulpwerkwoorden worden gebruikt, zodat het lexicale werkwoord in de eindpositie kan blijven staan. In het onderzoek voor deze scriptie zijn twee groepen zich normaal ontwikkelende kinderen met elkaar vergeleken: ééntalige kinderen van 3;6 tot 5;6 jaar en tweetalige kinderen van 6;0 tot 8;11 jaar. Bij deze kinderen zijn twee experimenten uitgevoerd: een perceptietaak en een productietaak. Uit de perceptietaak kwam naar voren dat zowel het hulpwerkwoord ‘gaan’ als ‘zijn’ geen lexicale betekenis hadden voor de meeste kinderen in beide groepen en dat ze beiden werden geïnterpreteerd als tegenwoordige tijd. Uit de productietaak kwam naar voren dat het lege hulpwerkwoord ‘gaan’ zeer vaak voorkwam in de uitingen van de kinderen in beide groepen, in tegenstelling tot ‘zijn’ wat maar zeer weinig voorkwam. Bovendien bleek dat tweetalige kinderen geen andere syntactische patronen lieten zien dan de ééntalige kinderen. Tijdens het vergelijken van beide experimenten bleek dat lege hulpwerkwoorden, zoals verwacht, geen modale of aspectuele betekenis bleken te hebben in de eerste fasen van de verwerving van finietheid en alleen werden gebruikt omdat het verplaatsen en vervoegen van het lexicale werkwoord moeilijk is. Kinderen gebruiken dan lege hulpwerkwoorden om de regels van de Nederlandse grammatica niet te schenden.
Download de scriptie (1,9 MB)

Lege hulpwerkwoorden als diagnostisch kenmerk van een taalontwikkelingsstoornis bij meertalige kinderen? Een onderzoek naar het gebruik van lege hulpwerkwoorden bij meertalige, zich normaal ontwikkelende kinderen en meertalige kinderen met een taalontwikkelingsstoornis.
Door Vera van Heugten

Met behulp van dit onderzoek werd getracht een antwoord te geven op de onderzoeksvraag of meertalige kinderen met een taalontwikkelingsstoornis die het Nederlands als tweede taal leren (‘sucessief meertalige kinderen’) langer en vaker gebruik maken van zinsconstructies met lege hulpwerkwoorden in het Nederlands dan successief meertalige kinderen zonder taalontwikkelingsstoornis. Om dit te bepalen werden drie onderzoekstaken uitgevoerd: twee taalproductietaken, namelijk een aanvultaak en een beschrijvingstaak, en een taalperceptietaak. Aan het onderzoek namen vijftien successief meertalige, zich normaal ontwikkelende kinderen tussen 6;0 en 8;11 jaar deel en twaalf successief meertalige kinderen tussen 7;0 en 9;11 jaar met een taalontwikkelingsstoornis. De moedertaal van de kinderen was het Tarifyit-Berbers, het Marokkaans-Arabisch of het Turks.
Hoewel successief meertalige kinderen tussen 7;0 en 9;11 jaar met een taalontwikkelingsstoornis inderdaad gebruik maakten van zinsconstructies met lege hulpwerkwoorden, onderscheidden zij zich hierin niet van successief meertalige kinderen zonder taalontwikkelingsstoornis met een leeftijd tussen 6;0 en 8;11 jaar. Het vermoeden dat meertalige kinderen met een taalontwikkelingsstoornis langer en vaker gebruik zouden maken van zinsconstructies met lege hulpwerkwoorden, werd dus niet bevestigd. Niettemin zijn er enkele interessante resultaten die relevant zijn voor hen die beroepsmatig met deze kinderen werken. Zowel de kinderen met het Turks als het Berbers als het Marokkaans-Arabisch als moedertaal, produceerden, wanneer er voor een leeg hulpwerkwoord gekozen werd, nagenoeg uitsluitend zinsconstructies met het lege hulpwerkwoord gaan. Er werden nauwelijks zinsconstructies geproduceerd met andere lege hulpwerkwoorden zoals doen, hebben of zijn. Het gebruik van het lege hulpwerkwoord gaan lijkt samen te hangen met de derivationele complexiteit van de zin. Beide groepen kinderen maakten in hoofdzinnen waarbij inversie gerealiseerd moest worden significant vaker gebruik van het lege hulpwerkwoord gaan dan in hoofdzinnen waarbij inversie geen rol speelde. Hoewel het realiseren van inversie voor beide groepen een lastige operatie was, hadden de SLI-kinderen hier duidelijk meer moeite mee dan de TD-kinderen. Ook realiseerde de SLI-groep vaker een juiste vervoeging van het lexicale werkwoord dan de TD-groep wanneer inversie niet gerealiseerd hoefde te worden, maar juist minder vaak wanneer inversie wel moest worden gerealiseerd. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het realiseren van inversie een extra moeilijkheid vormde voor de SLI-groep. Daarnaast lijkt de inflectionele complexiteit van de vervoeging van het lexicale werkwoord een rol te spelen in het gebruik van lege werkwoorden. Bij de vervoeging van complexe (scheidbare) werkwoorden werd significant vaker een zinsconstructie met het lege hulpwerkwoord gaan geproduceerd dan bij de vervoeging van niet scheidbare regelmatige en onregelmatige werkwoorden. Opmerkelijk is dat de SLI-kinderen op beide taken beter leken te presteren dan de TD-kinderen wanneer er naar de absolute aantallen werd gekeken. Hier lijkt sprake te zijn van een leeftijdseffect. Mogelijk zijn de SLI-kinderen op basis van hun leeftijd, die gemiddeld 1 jaar en zeven maanden hoger was, verder in de verwerving van finietheid dan de TD-kinderen.
De onderzoeksgroep was met 27 kinderen relatief klein. Bovendien was er sprake van een grote variatie binnen de onderzoeksgroep. Dit betekent dat de getrokken conclusies niet (volledig) te generaliseren zijn naar de praktijk. De relatie tussen de derivationele complexiteit van de zin en het gebruik van lege hulpwerkwoorden door meertalige kinderen met een taalontwikkelingsstoornis, lijkt op basis van de bevindingen van dit onderzoek het meest interessant te zijn.
Download de scriptie (3,8 MB)

“Pingu slapen” – “Pingu is slapen” – “Pingu slaapt”. Onderzoek naar de functie van de hulpwerkwoorden is en gaat in de verwerving van het Nederlands door volwassen Turkse en Marokkaanse leerders.
Door Yvonne van Beek

Turkse en Marokkaanse volwassen leerders van het Nederlands als tweede taal hebben in meer of mindere mate moeite met de correcte vervoeging van werkwoorden in de tegenwoordige en in de verleden tijd. De literatuur toont aan dat er drie fases kunnen worden onderscheiden in het verwervingsproces van finietheid. In de eerste fase maken de leerders veel gebruik van infinitieven (hij lopen). In de tweede fase gaan ze gebruik maken van (lege) hulpwerkwoorden (hij is lopen). Die hulpwerkwoorden zouden volgens de literatuur de functionele structuur van de uiting creëren en ze zouden morfologische kenmerken dragen. Bovendien zou het gebruik van hulpwerkwoorden minder moeite kosten dan werkwoordverplaatsing en -vervoeging. In het derde stadium gebruiken ze de correcte vervoeging (hij loopt).
In het onderzoek wat aan deze scriptie ten grondslag ligt is het gebruik van hulpwerkwoorden door volwassen Turkse, Berberse en Marokkaans-Arabische leerders van het Nederlands onderzocht. De proefpersonen hebben deelgenomen aan twee experimenten, waarbij ze zinnen in de tegenwoordige tijd en in de verleden tijd moesten aanvullen. De (lege) hulpwerkwoorden die vaak werden gebruikt, zijn vervoegde vormen van zijn en gaan. Uit een taalbegripstaak waarbij de meeste proefpersonen constructies met lege hulpwerkwoorden zoals ‘Hij is eten’ en ‘Hij gaat springen’ associeerden met plaatjes waarin de actie al gaande was, kan worden geconcludeerd dat de hulpwerkwoorden geen betekenisinhoud hebben. Verder bleek dat taalachtergrond van de proefpersonen geen invloed heeft op het gebruik van lege hulpwerkwoorden. Het taalvaardigheidsniveau in het Nederlands, en de onderzochte tijd daarentegen wel. De proefpersonen met niveau A1 maakten over het algemeen meer gebruik van lege hulpwerkwoorden dan de meer gevorderde proefpersonen met niveau A2. Ook, maakten ze in de verleden tijd veel minder gebruik van hulpwerkwoorden dan in de tegenwoordige tijd. Dus zinnen zoals ‘Hij ging lopen’ of ‘Hij was lopen’ kwamen nauwelijks voor. Zo, het gebruik van lege hulpwerkwoorden blijkt een leerdersconstructie die wordt toegepast in de tegenwoordige tijd en zorgt voor agreement tussen subject en werkwoord voor getal.
Download de scriptie (3,1 MB)

Gebruik van het ‘verleden’ bij zich normaal ontwikkelende monolinguale en bilinguale kinderen
Door Maxine du Cloux
In dit onderzoek wordt er gekeken naar het verschil tussen normaal ontwikkelende monolinguale en bilinguale kinderen wat betreft het gebruik van de voltooide en verleden tijd. Uit eerder onderzoek is gebleken dat bilinguale kinderen een langzamer tempo hebben wat betreft de verwerving van de verleden tijd dan de monolinguale kinderen. Daarnaast wordt er gezegd dat de voltooide tijd eerder wordt verworven dan de verleden tijd. In dit onderzoek wordt er gekeken of de bilinguale kinderen de voltooide tijd op een langzamer tempo verwerven dan de monolinguale kinderen. De kinderen die onderzocht zijn hadden een leeftijd van 3;6 tot 9;0 jaar.
Uit de resultaten van dit onderzoek is gebleken dat er geen evidentie is om aan te nemen dat de voltooide tijd eerder wordt verworven dan de verleden tijd. Er is geen significant verschil gevonden tussen de monolinguale groep kinderen en de bilinguale groep kinderen wat betreft het gebruik van de verleden en voltooide tijd. De monolinguale en bilinguale kinderen gaven vergelijkbare responsen voor de realisatie van de verleden en voltooide tijd. De dummy auxiliary ‘ging’ werd door de jongere monolinguale en bilinguale kinderen vaak gebruikt.
De bilinguale groep kinderen was ouder dan de monolinguale groep kinderen. Dit suggereert dat er sprake is van een achterstand van de bilinguale kinderen wat betreft het gebruik van de verleden en voltooid tijd in vergelijking met de monolinguale kinderen. De bilinguale groep werd op ongeveer tweeënhalf jarige leeftijd blootgesteld aan het Nederlands. Dit kan een verklaring zijn voor de achterstand die de bilinguale kinderen hebben in vergelijking met de monolinguale kinderen. Daarnaast moet er worden vermeld dat er sprake was van een grote variatie aan responsen bij zowel de bilinguale groep als de monolinguale groep. Dit betekent dat het lastig is om de getrokken conclusies te generaliseren naar de praktijk.
Download de scriptie (3,1 MB)