Samenvatting proefschrift

De integrale tekst van het proefschrift is te vinden op de website van de LOT-school en in de Radboud Repository.

In dit proefschrift wordt verslag gedaan van een onderzoek naar de rol van lege hulpwerkwoorden (hulpwerkwoorden die niet lijken te worden gebruikt om tijd of aspect uit te drukken) bij het verwerven van finietheid in het Nederlands door verschillende groepen taalverwervers: monolinguale en bilinguale zich normaal ontwikkelende kinderen, monolinguale en bilinguale kinderen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS) en volwassenen die het Nederlands als een tweede taal leren.

Lege hulpwerkwoorden, ook dummy auxiliaries genoemd, komen vaak voor in het taalgebruik van verschillende typen taalverwervers en in verschillende talen.

Er bestaan verscheidene verklaringen voor het ontstaan ​​en voor de rol van lege hulpwerkwoorden. Sommige zijn gebaseerd op structurele theorieën over taalverwerving en andere op semantische. Ondanks een groot aantal studies over lege hulpwerkwoorden in de afgelopen jaren, is er nog geen consensus over de oorsprong en functie van lege hulpwerkwoorden in verschillende types van taalverwerving. De vraag is ook of kinderen met een TOS deze lege hulpwerkwoorden anders gebruiken dan zich normaal ontwikkelende kinderen en of kennis hierover gebruikt zou kunnen worden in de diagnose van TOS bij eentalige en tweetalige kinderen.

De huidige studie draagt bij aan het debat over het ontstaan en de rol van lege hulpwerkwoorden. De volgende vragen staan centraal: spelen lege hulpwerkwoorden een rol bij het verwerven van finietheid in het Nederlands? Wat is die rol? En zijn er verschillen in de manier waarop ze worden gebruikt door verschillende typen taalleerders?

Om deze vragen te beantwoorden werd eerst een corpusstudie met data over spontane taal van vijf Nederlandse eentalige kinderen van 1;6 tot 3;6 jaar uitgevoerd. Deze studie werd gevolgd door drie experimentele studies met vijf groepen proefpersonen: volwassenen die het Nederlands als tweede taal leren in de leeftijd van 21 tot 54 jaar, zich normaal ontwikkelende eentalige en tweetalige kinderen van 3;6 tot 7;9 jaar en eentalige en tweetalige TOS kinderen tussen 4;1 en 9;7 jaar. De volwassenen en de tweetalige kinderen, die deelnamen aan dit onderzoek, hadden als moedertaal één van de volgende talen: Turks, Tarifiyt of Marokkaans-Arabisch.

De corpusstudie, die wordt gepresenteerd in hoofdstuk 2, laat zien dat een paar maanden na het bereiken van de leeftijd van twee jaar, het gebruik van finiete werkwoorden in de beginpositie ‑V1/V2 positie‑ van zinnen snel toeneemt. Die toename in de frequentie van finiete werkwoorden in initiële positie betekent echter niet dat lexicale werkwoorden naar voren worden verplaatst. Anders gezegd, die toename is geen teken van een syntactisch verplaatsingsproces.

De finiete werkwoorden in beginpositie zijn vooral modale werkwoorden, het koppelwerkwoord zijn en enkele statieve werkwoorden. De aanname is dat dit soort werkwoorden direct uit het lexicon gehaald wordt en een plaats krijgt in de V1/V2 positie. De infinitieven die al op grote schaal worden gebruikt in de voorgaande fase, blijven in de zinsfinale positie en worden gecombineerd met een (leeg) hulpwerkwoord. Ze vormen dus complexe predicaten van het type Aux+inf. De data brachten ook aan het licht dat alle vijf kinderen niet alleen gebruik maakten van de lege hulpwerkwoorden die het meeste worden besproken in de literatuur, namelijk gaan en doen, maar ook van het lege hulpwerkwoord zijn. De lege hulpwerkwoorden zijn en doen worden veel minder gebruikt dan het lege hulpwerkwoord gaan.

De conclusie van de corpus studie is dat in ieder geval tot en met 3;6 jaar (de hoogste leeftijd die kinderen hadden op het moment van de laatste geanalyseerde opname) de onderzochte kinderen nog steeds beide constructies – ‘hij gaat/is/doet zien’ en ‘hij ziet’ – beschouwen als gelijkwaardig in betekenis en in hun taalproductie kiezen voor de vorm die structureel gemakkelijker is. De redenering is dat lege hulpwerkwoorden worden gebruikt om een syntactische positie vast te leggen zonder dat het lexicale werkwoord verplaatst hoeft te worden. Verplaatsing van het lexicale werkwoord van de finale positie naar de beginpositie in de zin is tot de leeftijd van 3;6 jaar beperkt, zo niet helemaal uitgesloten.

De overige drie studies, die dit proefschrift beschrijft, waren experimenteel. Dezelfde set experimenten werd gebruikt: een begripstaak, een verteltaak en twee aanvultaken. Alle taken lokten bij de proefpersonen het gebruik van de derde persoon enkelvoud uit. Hierbij werden filmfragmenten uit animatiefilms met de figuur Pingu gebruikt, in combinatie met foto’s uit elk van die fragmenten.

Zowel de begripstaak als de verteltaak is opgezet om te testen of aspectuele betekenis een rol speelt in het gebruik van zijn+inf en gaan+inf. Eén van de aanvultaken werd ontwikkeld naar aanleiding van de vraag of het aantal geproduceerde lege hulpwerkwoorden toeneemt bij een verhoging van het aantal syntactische stappen dat nodig is om een zin met inversie te produceren. De andere aanvultaak werd ontwikkeld om de relatie tussen morfologische vaardigheden (flexie) en het gebruik van lege hulpwerkwoorden te onderzoeken. Deze bestond uit het aanvullen van zinnen in de tegenwoordige tijd en in de verleden tijd.

Hoofdstuk 3 beschrijft de studie van volwassenen die het Nederlands als tweede taal leren, met een T2-vaardigheid onder het Waystage niveau (A2) van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader (ERK). De volvassenen in deze studie gebruikten lege hulpwerkwoorden en interpreteerden deze als semantisch leeg. Vaardigheidsniveau in de doeltaal, meer dan taalachtergrond, leek niet alleen het gebruik van lege hulpwerkwoorden te bepalen, maar ook welk leeg hulpwerkwoord werd gebruikt.

Volwassen leerders in een vroeg stadium van taalverwerving gebruikten zowel het leeg hulpwerkwoord zijn als gaan, terwijl meer gevorderde leerders voornamelijk gaan bleven gebruiken en het gebruik van zijn aanzienlijk verminderden. Het lijkt erop, en dat is niet eerder vastgesteld, dat er twee fases in het dummy stadium bestaan: de ‘dummy zijn en gaan-fase’ en een daaropvolgende ‘dummy gaan-fase’.

De resultaten van de studie van volwassenen die het Nederlands als tweede taal leren tonen aan dat verhoogde morfologische en syntactische complexiteit geen toename van het gebruik van lege hulpwerkwoorden veroorzaakt. In feite produceren de meeste volwassen proefpersonen geen zinnen met inversie. In plaats daarvan produceren ze voornamelijk V3-zinnen. Hoewel ze veelvuldig gebruik maakten van lege hulpwerkwoorden in de tegenwoordige tijd, gebruikten ze in situaties die de verleden tijd vereisten het voltooide deelwoord, vaak in combinatie met een bijwoordelijke bepaling van tijd.

Volwassen leerders van het Nederlands hebben vaak niet voldoende gelegenheid om het Nederlands te horen en productief te gebruiken. Een zekere mate van blootstelling is echter noodzakelijk om de drempel voor het gebruik van bepaalde constructies te bereiken. Bij de volwassenen in onze studie was de ‘blootstellingsdrempel’ om inversie en de vervoegingen voor de verleden tijd te leren gebruiken nog niet bereikt. Andere factoren, zoals transfer uit de talen die zij eerder hadden geleerd, persoonlijke motivatie en de kwaliteit van het onderwijs, kunnen ook hebben bijgedragen aan het geconstateerde foutenpatroon. Het feit dat sommige volwassen deelnemers op niveau A2 zinnen met inversie gebruikten en het werkwoord in de verleden tijd vervoegden, toont aan dat sommige volwassenen de drempel van de blootstelling aan de doeltaal die nodig is om deze meer complexe constructies te beheersen hadden bereikt.

Hoofdstuk 4 presenteert de resultaten van de studie over de productie en het begrip van lege hulpwerkwoorden bij zich normaal ontwikkelende eentalige kinderen (3;6 – 5;7 jarigen) en vroeg tweetalige (Turks-Nederlands, Tarifiyt-Nederlandse en Marokkaans Arabisch-Nederlands) kinderen (4;0 -7;9 jaar ). De studie laat zien dat tweetalige kinderen die opgroeien in Nederland, hetzelfde ontwikkelingspatroon vertonen bij het verwerven van finietheid in het Nederlands als eentalige kinderen, inclusief het gebruik van lege hulpwerkwoorden om te verwijzen naar lopende gebeurtenissen. Vooral het lege hulpwerkwoord gaan, maar in de beginfase ook het lege hulpwoord zijn worden het meeste gebruikt.

De data laten zien dat de meeste kinderen, inclusief de oudere, geen prospectieve of perfectieve betekenis toewijzen aan die twee hulpwerkwoorden. De experimentele resultaten laten verder zien dat het gebruik van lege hulpwerkwoorden toeneemt wanneer morfologische (verleden tijd vervoeging) en syntactische (inversie) complexiteit van de taak wordt verhoogd. Verder had het type werkwoord duidelijk invloed op het gebruik van lege hulpwerkwoorden. Complexe scheidbare werkwoorden lokken meer lege hulpwerkwoorden uit dan regelmatige en onregelmatige werkwoorden. Het effect van werkwoordklasse op het gebruik van lege hulpwerkwoorden was niet overtuigend. Slechts in twee experimentele taken was er een tendens dat lege hulpwerkwoorden meer bij handelingswerkwoorden dan bij statieve werkwoorden optraden.

Er was geen effect van de eerste taal van de tweetalige kinderen, terwijl er wel een duidelijk effect van de duur van de blootstelling aan het Nederlands werd gevonden. Kinderen met minder jaren van blootstelling aan het Nederlands lieten aanzienlijk minder nauwkeurige reacties en meer lege hulpwerkwoorden zien dan degenen met meer blootstelling. Tweetalige en eentalige kinderen met dezelfde mate van blootstelling aan het Nederlands verschilden niet significant van elkaar in het behalen van correcte scores, noch bij het gebruik van lege hulpwerkwoorden. In feite bereikten de zeer jonge tweetalige kinderen die 1;6 tot 3;3 jaar blootstelling aan het Nederlands hadden gehad in deze periode hetzelfde nauwkeurigheidsniveau en lieten vergelijkbaar gebruik van hulpwerkwoorden zien als de zeer jonge eentalige kinderen die een langere blootstelling aan het Nederlands hadden gehad. Dit was vooral het geval in de taken met eenvoudige declaratieve zinnen in de tegenwoordige tijd. De conclusie is dat niet het onderscheid tussen eerste- en tweedetaalverwerving, maar de duur van de blootstelling aan het Nederlands de relevante verklarende factor lijkt te zijn voor bereiken van het stadium van verwerving van verbale inflectie en van het gebruik en de keuze van lege hulpwerkwoorden bij zich normaal ontwikkelende eentalige en tweetalige kinderen.

Hoofdstuk 5 rapporteert de resultaten van de experimentele data over het begrijpen en produceren van lege hulpwerkwoorden door TOS-kinderen die het Nederlands als eerste of tweede taal verwerven. Ook TOS-kinderen van 4;1 tot 9;7 jaar gebruiken lege hulpwerkwoorden, in het bijzonder zijn en gaan, voorafgaand aan het productief gebruik van finiete lexicale werkwoorden in V1/V2 positie. De taalachtergrond van de tweetalige kinderen speelt hierin een ondergeschikte rol. Productie-experimenten onthulden dat de blootstellingsduur aan de doeltaal de frequentie beïnvloedt en de keuze van geproduceerde lege hulpwerkwoorden bepaalt. Het lege hulpwerkwoord zijn verdwijnt binnen de eerste drie jaar van blootstelling aan het Nederlands. De frequentie van het gebruik van het lege hulpwerkwoord gaan daalt tot percentages van ongeveer 3% binnen zes tot acht jaar van blootstelling, terwijl het aantal finiete werkwoorden in V2-positie toeneemt tot percentages rond 77%. Het taalbegripsexperiment liet zien dat een blootstelling van zeven tot acht jaar aan het Nederlands noodzakelijk is om de precieze betekenis (d.w.z. nabije toekomst of voornemen) van de constructie gaan+inf te begrijpen. Voor die tijd geeft de meerderheid van de proefpersonen een niet-specifieke (default) betekenis aan deze constructie. Deze twee bevindingen suggereren een verband tussen het begrijpen en het produceren van het lege hulpwerkwoord gaan. Het lijkt erop dat in het begin van de taalontwikkeling kinderen (lege) hulpwerkwoorden gebruiken om het hoofd te bieden aan de morfosyntactische moeilijkheden van het verwerven van vervoeging en verplaatsing van het lexicale werkwoord, maar deze vervolgens blijven gebruiken zolang ze de betekenis van gaan+inf niet begrijpen.

De experimentele resultaten van de productietaken toonden ook aan dat, net als bij de studie over de zich normaal ontwikkelende kinderen, het gebruik van lege hulpwerkwoorden toeneemt naarmate de morfologische (verleden tijd) en morfosyntactische complexiteit (inversie en het type werkwoord) toeneemt. Er was geen duidelijk effect van lexicaal aspect, hoewel er wel een tendens bestond dat lege hulpwerkwoorden minder voorkwamen bij bepaalde statieve werkwoorden.

In hoofdstuk 6 worden de resultaten van de vier studies vergeleken en gerelateerd aan huidige theorieën over taalverwerving en taalstoornissen. Daarnaast worden implicaties voor diagnose en therapie van TOS, taalonderwijs en taalbeleid op tweetaligheid besproken en suggesties gedaan voor verder onderzoek.

De resultaten dragen bij aan het theoretische debat over de rol van lege hulpwerkwoorden in de verwerving van het Nederlands. De conclusie is dat lege hulpwerkwoorden inderdaad een rol spelen bij het verwerven van finietheid in het Nederlands. In alle soorten taalverwerving die onderzocht zijn in dit onderzoek kan deze rol worden gekarakteriseerd als die van voorloper van verplaatsing van het lexicale werkwoord van de zinsfinale positie naar de V1/V2-positie.

Een andere belangrijke conclusie van deze studie is dat er sprake lijkt te zijn van een ‘lege hulpwerkwoord-stadium’ met twee fases: een eerste fase waarin zowel het lege hulpwerkwoord zijn als het lege hulpwerkwoord gaan wordt gebruikt, en een daaropvolgende fase waarin het gebruik van zijn vermindert terwijl het gebruik van gaan wordt voortgezet.

Omdat de groepen met de minste blootstelling aan het Nederlands een zeer vergelijkbaar foutenpatroon laten zien, ondanks verschillende leeftijden bij de aanvang van het leren van het Nederlands (en verschillende eerste talen), kan worden geconcludeerd dat deze bevindingen goed passen binnen wat ik de ‘blootstellingsdrempel-hypothese’ heb genoemd. Deze hypothese is dat er een minimum (=drempel) van blootstelling bestaat, die nodig is om de taal te verwerven, voor elke structuur die geleerd moet worden. Sommige structuren vereisen meer blootstelling dan anderen. Voor het Nederlands lijken de drempels voor het leren vervoegen van de verleden tijd en voor de realisatie van inversie hoger dan die voor het verwerven van de tegenwoordige tijd en voor de vervoeging daarvan in declaratieve zinnen. De uitingen van kinderen met weinig blootstelling aan het Nederlands vertoonden dezelfde syntactische structuur als die van de volwassenen die het Nederlands als tweede taal leren. Deze bevinding en de bevinding dat bepaalde volwassen proefpersonen op niveau A2 zinnen met inversie en vervoegde werkwoorden in de verleden tijd produceerden, lijken erop te wijzen dat kinderen en volwassenen over dezelfde linguïstische representatie beschikken en dat blootstelling aan de doeltaal en niet de (on)mogelijkheid van toegang tot de Universele Grammatica bepalend is voor de verwerving van finietheid.

Een andere conclusie in dit onderzoek is dat slechts onder bepaalde omstandigheden TOS-kinderen lege hulpwerkwoorden vaker gebruiken dan zich normaal ontwikkelende kinderen. Hogere percentages van het gebruik van lege hulpwerkwoorden bij TOS-kinderen dan bij zich normaal ontwikkelende kinderen werden bovendien alleen gevonden in de eentalige groepen. De zeer jonge tweetalige TOS-kinderen produceerden minder lege hulpwerkwoorden dan de tweetalige zich normaal ontwikkelende kinderen van dezelfde leeftijd in alle experimentele condities. De wat oudere tweetalige TOS-kinderen produceerden vergelijkbare percentages van lege hulpwerkwoorden als de tweetalige zich normaal ontwikkelende kinderen van dezelfde leeftijd. Deze bevindingen steunen de hypothese dat het gebruik van lege hulpwerkwoorden een strategie is die, in het vroege stadium van de taalontwikkeling, efficiënter wordt gebruikt door zich normaal ontwikkelende kinderen dan door TOS-kinderen. In vergelijking tot zich normaal ontwikkelende kinderen vertonen TOS-kinderen niet alleen een achterstand in het leren (afleiden) van de onderliggende regels voor het produceren van correcte uitingen, maar ook in het opstarten van het gebruik van lege hulpwerkwoorden.

De resultaten wijzen op een tekort aan verwerkingscapaciteit door de TOS-kinderen (in vergelijking met zich normaal ontwikkelende kinderen is hun ontwikkeling vertraagd maar vergelijkbaar) en niet op een tekort in de mentale representatie van de linguïstische kennis dat zou kunnen leiden tot verschillende soorten fouten.

Een voorlopige conclusie die kan worden getrokken uit deze bevindingen is dat het (ontbreken van het) gebruik van lege hulpwerkwoorden een aanwijzing (markeerder) voor TOS zou kunnen zijn die duidelijker kan worden waargenomen aan het begin van de taalverwerving. Langdurig gebruik van, in het bijzonder, het hulpwerkwoord zijn kan een teken zijn van moeilijkheden bij het verwerven van het Nederlands, omdat dit hulpwerkwoord slechts kort wordt gebruikt in een typische taalontwikkeling.

De resultaten geven aan dat duur van de blootstelling aan een taal een beter instrument is dan leeftijd om (eentalige en tweetalige) kinderen met verschillende ervaringen met die taal te vergelijken. Een nog beter instrument zou niet alleen de duur van de blootstelling moeten meten maar zou ook rekening moeten houden met de kwaliteit van de blootstelling. Belangrijke indicatoren zijn de mate van ononderbroken en regelmatige blootstelling en de taalvaardigheid van de reguliere gesprekspartners. Toekomstige studies zouden rekening moeten houden met deze indicatoren.